Ooievaar
De ooievaar is een grote, witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten en snavel.
Een ooievaar wordt ongeveer 1.30 m groot.
De mannelijke ooievaar weegt ongeveer 4,5 kg, een vrouwelijke ooievaar ongeveer 3,5 kg.
Een ooievaar kan gemiddeld 30 jaar oud worden. Spanwijdte van de vleugels is 170 cm breed.
Ze eten reptielen, amfibieŽn, vissen, kuikens, kleine zoogdieren, insecten en plantaardig materiaal.
Leefgebied: moerassig gebied, landbouw- en grasland met veel water.
Voortplanting: Als twee ooievaars op hun nest zitten, verklaren ze elkaar
hun "liefde" met spectaculair snavelgeklepper.
Ooievaars zijn niet trouw aan elkaar, maar 'nesttrouw'.
Dat verklaart waarom sommige ooievaarspaartjes lang bij elkaar blijven.
Een ooievaar is vruchtbaar vanaf het derde levensjaar.
Ooievaars leggen gemiddeld 3 tot 5 eieren, die 33 dagen worden bebroed.
Ze beginnen meestal bij het tweede ei al met broeden en daardoor komen
de jongen dan ook met tussenperiodes van 1 of 2 dagen uit het ei.
Bij de geboorte weegt een ooievaar ruim 60 gram en het is niet
direct moeders mooiste. Dik, gedrongen en grijs.
Maar daarin komt redelijk snel verandering, want bij voldoende eten groeien ze snel.
Na 20 dagen weegt het jong tot 1,5 kilo en eten ze ruim 500 gram per dag
waardoor ze dagelijks zo'n 200 gram zwaarder worden.
Na 2 maanden zal de jonge ooievaar voor het eerst
zijn vleugels uitslaan en het nest verlaten.
Voor de oudervogels is dan een drukke periode van voedselzoeken voorbij want
bij een gemiddeld aantal jongen moeten ze dan minstens 4 kilo aan eten verzamelen.
Het dus belangrijk dat er in de buurt van het nest veel eten te vinden is.
Wanneer in augustus de jonge ooievaars zelfstandig zijn,
bereiden ze zich voor op de trek richting Afrika.
Deze trekdrang en de route zijn grotendeels aangeboren en ingegeven
doordat er in de winterperiode voor de ooievaars geen eten is.
De ooievaar zou tijdens de trek een groot probleem hebben
als hij niet gebruik kon maken van thermiek [luchtstromen].
Omdat de ooievaars nu eenmaal vrij zware vogels zijn, met grote brede vleugels,
is echt vliegen een energieverslindende bezigheid.
Daarom proberen ze lange afstanden zoveel mogelijk zwevend te overbruggen.
Wanneer de weersomstandigheden gunstig zijn, vliegen ooievaars
7 tot 8 uur per dag en leggen ze zo maximaal 500 kilometer af.
Hoe warmer het weer, hoe hoger het gemiddelde aantal kilometers per dag.
In Europa ligt dit zo rond de 220 kilometer en in Afrika zo rond de 300.
Dat zijn flinke afstanden, maar voordat je met dat gemiddelde
12.000 kilometer verder bent, is toch nog een hele opgave.
Hoe hoger de ooievaar dus door de thermiekstroom komt, hoe groter de 'winst'.
In de thermiekstroom stijgen ze meestal tot wel 700 meter hoog,
verlaten dan de stroom en laten zich geleidelijk omlaag glijden.
Zo leggen ze dus zonder vleugelslag grote afstanden af en halen daarbij
ook nog gemakkelijk snelheden van zo'n 80 kilometer per uur.
Voor ooievaars zijn er twee belangrijke trekroutes, de westelijke
via Frankrijk, Spanje en Portugal over Gibraltar naar Noord Afrika
en de oostelijke welke via de Bosporus naar Midden en Zuid Afrika leidt.
Hun overwinteringsgebied is dus vrij groot en strekt zich over
een groot deel van Afrika uit. Van Senegal, MauretaniŽ,
Mali, Burkina Faso en Kameroen tot Tsjaad, Soedan en Kenia.
Zwarte ooievaar: Het verenkleed is zwart met een paarse en groene metaalglans
De buik is wit van kleur, de snavel en de poten zijn rood van kleur
De zwarte ooievaar is in tegenstelling tot de gewone ooievaar een schuwe vogel
die zich behalve tijdens de trek zelden buiten het bos of het moeras laat zien.
De zwarte ooievaar onderscheidt zich duidelijk
van de gewone ooievaar door het grotendeels zwarte verenkleed.
Ook kleppert de zwarte ooievaar maar zelden met de snavel.
Het broedgebied bevindt zich in de uitgestrekte
bos- en moerasgebieden van met name Oost-Europa.
Op de trek naar het zuiden komt de vogel soms door Nederland.